Agrarisch natuurbeheer

Sinds jaar en dag kent SLZ het werkveld Agrarisch Natuurbeheer  In het oog springende projecten zijn bijvoorbeeld de Goese heggen en d’Aegen op Walcheren, waarbij streekeigen struweelbeplanting op landbouwpercelen wordt aangeplant en onderhouden  Daarnaast zijn er vele Bedrijfsnatuurplannen geschreven en uitgevoerd, veelal gericht op en rond het boerenerf  Op landelijk niveau is er beleid om Agrarisch Natuurbeheer op landbouwgrond te stimuleren. Tot en met 2015 organiseerde de overheid dit zelf via de Subsidieregeling Natuur en Landschap (SNL)  Elke agrarisch ondernemer kon een subsidiepakket aanvragen voor bijvoorbeeld de aanleg en beheer van een akkerrand of een dijk met bijzondere flora  De overheid sloot zelf contracten met individuele deelnemers  De overheadkosten van deze manier van werken bleken hoog te liggen.

Akkerreservaat

Van SNL naar ANLb

In 2014 is het SNL­stelsel grondig geëvalueerd en werd duidelijk dat een vervolgtraject effectiever en efficiënter zou moeten. Om provinciale doelsoorten (vogels, amfibieën etc ) beter te bedienen, is maatwerk nodig en zou een heel belangrijke rol bij de vrijwillige, agrarisch natuurverenigingen (ANV’s; de zogeheten agrarisch collectieven) moeten liggen  SLZ spreekt in die periode meer dan geregeld met collega­organisaties van Brabants Landschap, ZLTO, Brabants Particulier Grondbezit en Zeeuws Particulier Grondbezit  Het idee wordt uitgewerkt om in samenwerking, als nieuwe Stichting ZeeBra, op non­profitbasis een aantal diensten aan de toekomstige uitvoerders van het nieuwe ANLb ­ Agrarisch Natuur­ en Landschapsbeheer­ aan te bieden  Samen hebben deze organisaties immers expertise in huis van ecologie, monitoring, de landbouwpraktijk, het particulier grondbezit, subsidieaanvragen en specifieke softwarepakketten In Zeeland werken alle negen ANV’s samen in het collectief Poldernatuur Zeeland  Stichting ZeeBra wordt als adviserende  partij ingezet  De Provincie Zeeland heeft jaarlijks € 1,6 mln  aan rijksgelden te besteden aan Agrarisch Natuur­ en Landschapsbeheer  De Provincie bepaalt de kaders en Poldernatuur selecteert werkgebieden, stelt maatwerkpakketten op, werft deelnemers, verdeelt de beheervergoedingen, controleert beheereenheden en monitort de doelsoorten. 

Maatregelen voor bepaalde soorten moeten voortaan geclusterd worden en in een bepaald gebied liggen

Belangrijkste spelregels

  • Zeeuwse doelsoorten: ambassadeursoorten; patrijs, veldleeuwerik, kamsalamander, steenuil, kievit  
  • Werving: alleen in kansrijke gebieden waar deze soorten nog voorkomen  
  • Voldoende omvang van beheermaatregelen: geen versnippering meer, maar maatregelen moeten altijd geclusterd in een bepaald gebied liggen  Zo geldt voor akkervogels het criterium dat een werkgebied minimaal 500 ha groot is  en dat daar 5% (= 25 ha) maatregelen/ pakketten worden afgesloten  
  • Variatie in pakketten: in een werkgebied moet een mix zijn van pakketten die gericht zijn op voedselaanbod, schuilgelegenheid, broedgelegenheid en veilige opgroei mogelijkheden voor de jongen  
  • Strenge toetsing op de jaarlijkse subsidieaanvraag door EU 

Deelname

Spelregels genoeg, maar zonder deelnemers gebeurt er helemaal niets  Grondgebruikers van percelen met agrarisch gebruik die in de geselecteerde gebieden liggen, kunnen hun belangstelling kenbaar maken  Anderzijds zoekt Poldernatuur Zeeland ook gericht naar deelnemers om ontbrekende schakels in te vullen  De beheervergoeding is marktconform  De deelnemer wordt er niet rijk van, maar legt er zeker niet op toe  Over de omzet mag Poldernatuur Zeeland maximaal 20% toeslag rekenen om de organisatiekosten te dekken  De pakketten passen prima in de bedrijfsvoering van de deelnemers  Denk daarbij aan randen langs sloten die toch al een iets lagere opbrengst kennen; vogels gedijen juist goed op percelen met natte plekken  Landschapselementen zoals poelen en knotbomen aangrenzend aan landbouwgrond komen ook in aanmerking, mits in een werkgebied van Poldernatuur en voldaan wordt aan de andere spelregels. 

Door: Jacob Bouwman, medewerker SLZ

Dit artikel is afkomstig uit het kwartaalblad van Landschapsbeheer Zeeland (Nr.2 Zomer 2018).