Landschapsbeheer Zeeland

 

Bijenhotel

De in het wild levende bijen hebben dikwijls een probleem. Ze hebben weinig plekjes om hun nesten te kunnen bouwen. In nette, overal aangeharkte en geschoffelde erven en tuinen zijn geen rommelhokjes en gaatjes meer te vinden voor de bijen en wespen. Er staat geen enkel hol sprietje of takje langer dan een deel van het seizoen overeind. Ook vermolmd hout blijft nergens lang liggen.

Bijen en wespen hebben een grote voorliefde voor warme, zon beschenen plaatsen, om daar hun nest te bouwen. Er zijn goede mogelijkheden om deze dieren te helpen. Daarbij is het goed te weten dat deze dieren niet steken (en al zouden ze daartoe toch een keer een poging wagen, ze doorgaans niet eens door de menselijke huid kunnen prikken). Een van de dingen die je kan doen is een bijenhotel bouwen. Daarbij kan onderscheid gemaakt worden in de grond, en voor boven de grond nestelende soorten. Hieronder worden ze apart behandeld.

Boven de grond

Boven de grond

Boven de grond nestelen de soorten meestal in nauwe gaatjes. Bijvoorbeeld in oud hout, waarin boorgaatjes van andere insecten zitten, holle plantenstengels ed. Voor het hotel kan je daarom van alles gebruiken, zolang er maar gaatjes van verschillende diameters inzitten. Goed bruikbaar is hout, waarin gaatjes geboord kunnen worden, bamboe, riet of andere planten met holle stengels. Gebruik het liefste een houtsoort die niet te snel verteert.  Dus liever eik of es, dan wilg of populier.

Erg belangrijk is dat de openingen en de gangen zo glad mogelijk zijn. Aan erg ruwe invliegopeningen of gangen beschadigen de bijen hun vleugels. Daarom worden die door de insecten haast nooit gebruikt. Je kunt een klein hotel maken die je bijvoorbeeld aan de zuidkant van je huis tegen de muur hangt, of een hele grote toren die je op een warme en bloemrijke plek kunt neerzetten. Door diverse materialen in blokvorm in een groot frame aan te brengen kan je een fraaie bouwwerk maken.

Osmia caerulescens, Blauwe metselbij

Details

Meer in detail zijn de volgende zaken van belang:

De gangen moeten altijd aan de achterkant dicht zijn. Dus als je bijvoorbeeld bamboe gebruikt, knip deze dan door naast de knopen in de stengel en leg steeds de knoop naar achter toe in het hotel. De diameter kan 2 tot 12 millimeter bedragen. De soorten die de kleine gangetjes gebruiken zijn erg klein en voor veel mensen amper zichtbaar. Toch willen we graag ook de kleinere soorten helpen.

De gangen mogen tussen de 3 en 20 centimeter diep zijn.

Interieur en locatie

Als de gangen diep zijn is er meer ruimte voor cellen. De invliegopening en de gangen zelf moeten goed glad zijn. Boor daarom alleen met een heel scherpe boor en boor vooral langzaam, zodat er geen raffels of splinters ontstaan. Dit gaat in de praktijk toch vaak fout. Belangrijk is om ook niet teveel gaatjes in één houtblokje te boren, anders ontstaan er scheuren dwars door de holletjes heen en zijn de gescheurde holletjes ook niet meer bruikbaar.

Bij de grotere hotels is het handig om de grotere ruimten op te vullen met geboorde houtblokjes en de open ruimten daartussen te vullen met bamboe of riet. Het geheel kan prima vast gelegd worden met leem. Daarmee liggen de stengels veel beter vast. Dat helpt tegen het eruit trekken van vogels, die op zoek zijn naar larven van de bijen.

Zorg dat de holletjes ook altijd droog blijven, dus voorkom dat er regen op kan vallen. Daarmee voorkom je houtrot en verleng je de levensduur van de holletjes. Maak er bijvoorbeeld een dakje op dat net een stukje oversteekt.

Belangrijk is ook dat het hotel neergezet wordt gericht op het zuiden op een warme en wind luwe plek. Midden in een open veld werkt minder goed dan tegen een muur. Eventueel kan ook een beplantingsstrook als achtergrond gebruikt worden. Is er niets beschikbaar dan kan ook een extra achterwand neergezet worden aan de beide zijden van het hotel, zodat daar een warme en wind luwe plek ontstaat. Zo’n wand kan eventueel gemaakt worden van natuurlijke materialen als een vlechtwerk van wilgentakken. Ook het dicht maken van de achterwand in de flat zelf zorgt er voor dat de holletjes warm worden.

Rosse metselbij

Onder de grond

Het is zeker zo dat  bijen ook in tuinen in de bodem holletjes kunnen maken tussen de bloemborders en tuinplanten als daar maar voldoende open ruimte is. Van belang is dan dat er zoveel ruimte is dat de bodem direct door de zon beschenen wordt.  Net zoals bestrating met zand tussen de stenen. Het spreekt voor zich dat het gewenst is om dan in de vliegperiode niet steeds te gaan schoffelen, zodat de nestjes steeds beschadigd raken. Schoffelen buiten de vliegperiode is geen probleem, omdat de celletjes in deze nestjes normaal gesproken dieper in de bodem liggen.

De bodem bewonende soorten kan je extra helpen door het maken van een zandheuvel. Bodembewoners zoals zandbijen krijgen veel kansen in een kale of half begroeide zandheuvel. Deze kan bevolkt worden door grote aantallen van veel verschillende soorten.

Praktisch

Leg de zandheuvel het liefste ergens op een zonbeschenen plek. Gebruik hiervoor voedselarm zand. Dat heeft drie voordelen. In de eerste plaats graven de bijen liever in zand dan in klei. In de tweede plaats raken zandheuvels minder snel begroeid dan voedselrijkere grondsoorten.  En in de derde plaats kan op zand zich makkelijker een bloemrijke vegetatie ontwikkelen dan op klei. Dan wordt het ook nog een heel mooi element in de tuin. Zorg ervoor dat de zandheuvel dik (verticaal gezien) genoeg is. Want als het zand op een voedselrijkere bodem ligt, kunnen bij een te dunne laag de ruigere groeiers makkelijk vanuit het voedselrijkere klei door de zandlaag heen groeien. Als je op het erf of in de tuin voldoende ruimte hebt dan bv. één of enkele aanhangwagens, zodat de plek een paar m2 groot kan zijn.

Als er teveel planten op gaan groeien, raakt de heuvel in onbruik. Door de dichte vegetatie valt er geen zonlicht meer op de bodem , waardoor deze kouder en vochtiger wordt. Bovendien is het onhandig voor de bijen om eerst een heel stuk door de vegetatie te moeten kruipen alvorens de nestjes te kunnen gebruiken. Periodiek uittrekken van de ruige groeiers is dus gewenst. Een wat ijlere begroeiing is zeker geen bezwaar.

Meer lezen?

Er is op internet inmiddels veel informatie te vinden over deze onderwerpen. Helaas is niet alles daarvan goed bruikbaar. Het beste naslagwerk dat er nu is, is het boek “Gasten van bijenhotels” geschreven door Pieter van Breugel. Het is een fantastisch mooi en zeer informatief naslagwerk.